Een redelijk rendement maakt een warmtenet nog niet financierbaar

Een warmtenet kan op papier een redelijk rendement opleveren en toch onvoldoende geld beschikbaar hebben voor rente, aflossing en uitbreiding. Wie een investeringsbesluit voorbereidt, moet daarom verder kijken dan de vermogenskostenvoet. De vraag is niet alleen welk rendement in een berekening past, maar ook wanneer het geld binnenkomt en wie tegenvallers opvangt.

De actualiteit maakt dat onderscheid scherp. De ACM publiceerde op 29 september 2026 haar ontwerpmethode voor de Start-GAW: de financiële startwaarde die bij de toekomstige kostengebaseerde tariefregulering meetelt. Op 14 oktober volgde het PlanEnergi-onderzoek naar de verdeling van kapitaallasten. Het gaat om een ontwerp en een onderzoek, niet om een volledig vaststaand nieuw tariefstelsel. (ACM ontwerp Start-GAW van 29 september 2026; ACM publicatie PlanEnergi van 14 oktober 2026)

Drie vragen achter één percentage

De WACC is de gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet. Maar de vraag waarvoor die wordt gebruikt, is minstens zo belangrijk als het percentage. Een norm voor rendementstoezicht, een disconteringsvoet bij een waardering en de voorwaarden waaronder financiers daadwerkelijk geld beschikbaar stellen, zijn geen uitwisselbare grootheden. De gewijzigde ACM-besluiten van juli 2026 gaan over de bestaande rendementstoets. Die mogen niet zonder meer worden gebruikt alsof daarmee de toekomstige Wcw-regulering al vastligt. (ACM gewijzigde rendementstoets van 28 juli 2026)

Ook de waarde van een net vraagt precisie. Boekwaarde, gereguleerde activawaarde en een commerciële overnamewaarde beantwoorden verschillende vragen. In het ontwerp Start-GAW zijn onder meer de technische staat en achterblijvende aansluitingen relevant voor mogelijke correcties. Dat maakt de onderbouwing van de waarde belangrijker dan een sluitend bedrag onderaan de spreadsheet. (ACM ontwerp Start-GAW van 29 september 2026)

Goedkoper per jaar kan langer onzeker betekenen

Langere afschrijving kan jaarlijkse kapitaallasten verlagen. De ACM benoemt bij het PlanEnergi-onderzoek echter ook de mogelijke spanning met investeringszekerheid. (ACM publicatie PlanEnergi van 14 oktober 2026) Mijn praktische gevolgtrekking: een langere terugverdienperiode maakt een lening niet vanzelf langer beschikbaar. Evenmin wordt daarmee de toekomstige warmtevraag zeker. De technische levensduur, de inkomstenontwikkeling en de financieringsafspraken moeten naast elkaar worden gelegd.

Neem een fictief net waar aansluitingen later komen dan gepland. De leidingen liggen er al; de inkomsten volgen pas later. Een gunstige rendementsberekening lost dat kasstroomverschil niet op. Misschien is extra eigen vermogen nodig, misschien een andere fasering. Een garantie kan de verdeling van het risico veranderen, maar laat het onderliggende tekort niet verdwijnen. Dat verschil hoort zichtbaar te zijn voordat partijen instemmen.

Cash is king bij financiering

Banken en andere verstrekkers van vreemd vermogen kijken daarom onder meer naar de debt service coverage ratio, kortweg DSCR. Die laat zien hoeveel keer de beschikbare kasstroom de rente en contractuele aflossing in dezelfde periode dekt. Het gaat om geld dat voor deze betalingen beschikbaar is, niet om omzet of boekhoudkundige winst. (World Bank over DSCR en financieringsafspraken)

DSCR = beschikbare kasstroom voor schuldendienst ÷ (rente + contractuele aflossing).

Een fictief voorbeeld: € 1,2 miljoen beschikbare kasstroom tegenover € 1 miljoen rente en aflossing geeft een DSCR van 1,2. Er is dan € 200.000 ruimte boven die betalingsverplichtingen: 20% van de schuldendienst, niet 20% van de omzet.

Dat maakt 1,2 nog geen algemene banknorm. De vereiste buffer en precieze berekening hangen af van de financier en de afspraken in de lening. Toets daarom per afgesproken meetperiode, gedurende de looptijd: wat gebeurt er bij latere aansluitingen, hogere kosten of een ander aflossingsschema? Ook een gunstig jaartotaal kan tekorten op afzonderlijke betaalmomenten verbergen.

Drie vragen vóór het investeringsbesluit

  • Welke waarde en welke rendementsmaatstaf gebruiken we, voor welk doel en onder welk regelgevingsregime?
  • Blijft er voldoende kasstroom voor rente, aflossing en noodzakelijke investeringen als aansluitingen later komen of kosten stijgen?
  • Wie draagt het resterende risico, en is die partij ook bereid en in staat dat te dragen?

Een goede beoordeling verbindt techniek, bedrijfseconomie en risicotoedeling. Daarom begin ik bij een second opinion niet met de vraag of het gekozen percentage verdedigbaar is, maar of het besluit als geheel klopt. Wie een warmtenet waardeert, financiert of overneemt, doet er goed aan die samenhang expliciet te laten toetsen.